Nieuws

Volledige verhoging van de pensioenen per 1 april 2025

26 maart 2025

Philips Pensioenfonds heeft een goede financiële gezondheid. Dat betekent dat we over financiële reserves beschikken, ofwel een financiële ‘buffer’ hebben. Tot de overgang naar de nieuwe pensioenregeling, die gepland is op 1 januari 2027, houden wij bij het verhogen van de pensioenen rekening met het beschermen van deze buffer. Sinds twee jaar staan wij daarom elk jaar stil bij de vraag: ‘Hoeveel pensioenverhoging is dit jaar verantwoord, zodat elke deelnemer een goede start kan maken in de nieuwe pensioenregeling die gepland is vanaf 1 januari 2027?’ In 2025 kunnen we de pensioenen van onze deelnemers volledig verhogen met onze ambitie. We kunnen deze verhoging toekennen, omdat we gebruikmaken van ruimere, wettelijke indexatieregels.  
 
Hiermee zetten we een belangrijke stap in het realiseren van onze doelstellingen voor de overgang naar de nieuwe regeling. Alle deelnemers krijgen volledige indexatie, waardoor hun indexatie-achterstanden niet oplopen. Bovendien is de totale toegekende indexatie hiermee vergelijkbaar voor de pensioenontvangers en premievrije polishouders enerzijds en voor de pensioenopbouwers anderzijds. Hiervoor kijken we naar de periode van 2011 (het eerste jaar dat we geen volledige indexatie konden verlenen) tot heden. Dit indexatiebesluit kunnen we nemen met een verantwoorde impact op onze financiële buffer. 

 

Overbruggingsplan

In het overbruggingsplan leest u waarom de toepassing van ruimere indexatieregels 'evenwichtig' is en ziet u wat het effect van de ruimere regels is voor verschillende deelnemersgroepen. 

Ga naar Overbruggingsplan
Veelgestelde vragen Overbruggingsplan

De pensioenen van pensioenontvangers en premievrije polishouders gaan per 1 april 2025 omhoog met 2,7%. Hiermee wordt de volledige prijsinflatie over het afgelopen jaar gecompenseerd. De opgebouwde pensioenen van de huidige pensioenopbouwers gaan omhoog met 6,0%; dat is gelijk aan de looninflatie (lees hier meer informatie per deelnemersgroep). Meestal is het verschil tussen de loon- en de prijsinflatie minder groot, maar in 2022 was er zelfs sprake van een nog groter verschil. Toen was de indexatie gebaseerd op de prijsinflatie 7,4% en de indexatie gebaseerd op de looninflatie 1,6%. Zoals vermeld, is de totale indexatie na toekenning van de indexatie per 1 april 2025 voor alle deelnemersgroepen over een langere periode bezien vergelijkbaar met elkaar.  
 
Elke deelnemer is persoonlijk geïnformeerd over de pensioenverhoging per 1 april 2025. In dit nieuwsbericht nemen wij u mee in deze besluitvorming, om u inzicht te geven in de gemaakte afwegingen. Ook vindt u onderaan deze pagina vragen en antwoorden over indexatie in het algemeen (zoals ‘Waarom is inhaalindexatie niet mogelijk?’) en over het zogenoemde overbruggingsplan. In het overbruggingsplan is doorgerekend wat het gebruik van de ruimere indexatieregels betekent voor de verschillende deelnemersgroepen. 

Indexatietoekenning

Hoeveel pensioenverhoging het Bestuur in enig jaar kan geven, is afhankelijk van meerdere factoren. Zie hier o.a. een overzicht van de nieuwsberichten met de besluiten in de afgelopen jaren.

Overzicht van eerdere nieuwsberichten

Wat willen we bereiken op het moment van overgang naar een nieuw pensioenstelsel?

Eind 2021 hebben we vastgesteld wat er nodig is om alle deelnemers zo goed mogelijk te laten starten in het nieuwe pensioenstelsel. Dat geldt voor diegenen die nog pensioen opbouwen, maar ook voor onze pensioenontvangers en premievrije polishouders. Hiervoor hebben we twee concrete doelstellingen geformuleerd voor het moment van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel:

  • Voor alle deelnemers een pensioen dat zo dicht mogelijk ligt bij de ambitie
    Voor de pensioenen van onze deelnemers is een ambitie geformuleerd, namelijk een pensioen op basis van volledige pensioenopbouw en volledige indexatie. De doelstelling is om voor alle deelnemers te komen tot een pensioen dat bij overgang naar het nieuwe pensioenstelsel zo dicht mogelijk ligt bij deze ambitie. En dat als er op dit punt verschillen tussen deelnemers zijn, dat deze uitlegbaar en fair zijn.
     
  • Een gezonde financiële situatie met een zo hoog mogelijke dekkingsgraad
    De dekkingsgraad is de graadmeter voor de financiële gezondheid van een pensioenfonds. Een dekkingsgraad van 100% betekent dat een pensioenfonds precies genoeg vermogen heeft om zijn huidige pensioenverplichtingen na te kunnen komen. Bij een dekkingsgraad boven de 100% noemen we het gedeelte boven die 100% een reserve of financiële buffer. De actuele dekkingsgraad van het Fonds was eind december 2024 122,7%. Er was op dat moment dus een financiële buffer van 22,7 %. We willen deze buffer met het oog op de overgang naar het nieuwe stelsel extra beschermen (zie extra toelichting ‘Waarom is het belangrijk de buffer te beschermen?).

Waarom is het belangrijk de buffer te beschermen?

Philips Pensioenfonds heeft eind 2021 besluiten genomen ter bescherming van de buffer in aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel. Intussen zien we dat ook andere pensioenfondsen het beschermen van de buffer meenemen in hun besluiten over indexatie van de pensioenen. Het is namelijk in het belang van de deelnemers dat de buffer bij de overgang zo hoog mogelijk is. Bij de overgang naar de nieuwe pensioenregeling komt de buffer namelijk direct of indirect ten goede aan de deelnemers; bij Philips Pensioenfonds als volgt:

  • Een deel van de buffer gebruiken we om enkele wettelijk voorgeschreven ‘reserves’ te vullen, zoals een operationele reserve die bedoeld is voor onder andere het herstellen van eventuele fouten en voor onverwachte kosten. 
  • Een deel wordt gebruikt voor de compensatie voor pensioenopbouwers die nadeel ondervinden van het afschaffen van de doorsneesystematiek die in de huidige pensioenregeling van toepassing is. 
  • Een deel wordt gebruikt voor het vullen van de solidariteitsreserve die is bedoeld om pensioenontvangers te beschermen tegen dalingen van het pensioen bij tegenvallende (beleggings)resultaten. 
  • Het vermogen dat hierna nog overblijft, wordt volgens een bepaalde verdeelsleutel toegevoegd aan de persoonlijke pensioenvermogens van alle deelnemers.

Hoe zorgen we ervoor dat we deze doelstellingen kunnen realiseren?

 

Voor alle deelnemers een pensioen dat zo dicht mogelijk ligt bij de ambitie

Om de eerste doelstelling te kunnen realiseren, hebben we reeds in 2021 besloten om, zodra dat wettelijk mogelijk zou zijn, gebruik te maken van de ruimere, wettelijke regels over indexatie volgens het zogenoemde transitie-FTK. Pensioenfondsen kunnen gebruikmaken van het transitie-FTK sinds de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Daarvoor moet een pensioenfonds berekenen wat het gebruik van deze ruimere indexatieregels betekent voor de deelnemers en moet het pensioenfonds onderbouwen waarom dat ‘evenwichtig’ is. Dit wordt vastgelegd in het ‘overbruggingsplan’.  
 
We hebben begin 2024 het ‘overbruggingsplan 2024’ ingediend bij De Nederlandsche Bank. Deze toezichthouder heeft dit plan in februari 2024 goedgekeurd en dit plan is ook nog van kracht voor de indexatie per 1 april 2025. Dit betekent dat we ook in 2025 de ruimere indexatieregels kunnen toepassen. Hierdoor kan er eerder en meer indexatie worden gegeven dan volgens de bestaande wettelijke indexatieregels. Dit opent de mogelijkheid om bij te dragen aan de eerste doelstelling: voor alle deelnemers een pensioen dat zo dicht mogelijk ligt bij de ambitie op het moment van overgang naar de nieuwe pensioenregeling. 
 

Een gezonde financiële situatie met een zo hoog mogelijke dekkingsgraad 

Tegelijkertijd hebben we besloten dat we tot de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel jaarlijks bezien welke pensioenverhoging (indexatie) verantwoord is, om de financiële buffer te beschermen. Dat betekent dat de hoogte van de indexatie in de komende jaren niet alleen afhankelijk is van de wettelijke mogelijkheden en de financiële situatie op het moment van indexeren, maar ook van de verwachte en gewenste financiële situatie op het moment van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.

Kortom: we maken elk jaar een afweging tussen enerzijds het toekennen van een indexatie die zo dicht mogelijk ligt bij onze ambitie, en anderzijds het beschermen van de financiële buffer. Overigens is de ambitie van het Fonds hierdoor niet veranderd: het streven blijft om aan alle deelnemers een zo groot mogelijk deel van onze indexatieambitie toe te kennen. Als uit die afweging volgt dat geen volledige indexatie kan worden gegeven, loopt de indexatieachterstand op. Hiermee houden wij rekening bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.

Foto indexatiebericht

Hoeveel pensioenverhoging is wettelijk mogelijk?

Als een pensioenfonds geen gebruikmaakt van de ruimere indexatieregels uit het transitie-FTK, dan mag bij een beleidsdekkingsgraad onder de 110% helemaal niet geïndexeerd worden en kan volledige indexatie pas als zeker is dat in de toekomst ook volledig geïndexeerd kan worden. Dit is bij Philips Pensioenfonds op dit moment (deze grens varieert in de tijd) bij een beleidsdekkingsgraad van 136,8% het geval (lees hier meer). Bij de huidige beleidsdekkingsgraad van 124% betekent dit dat, als geen gebruik zou worden gemaakt van de ruimere indexatieregels van het transitie-FTK, enkel gedeeltelijke indexatie mogelijk is ter hoogte van 52% van de ambitie.

Na goedkeuring van het overbruggingsplan in februari 2024, kunnen we echter gebruikmaken van ruimere indexatieregels. Hierdoor is in 2025 volledige indexatie mogelijk.

Inhaalindexatie is ook onder de ruimere indexatieregels momenteel niet mogelijk

Voor inhaalindexatie blijven de bestaande indexatieregels van toepassing. Dat betekent dat inhaalindexatie alleen mogelijk is als de beleidsdekkingsgraad zich boven een wettelijke grens bevindt. Die grens was voor Philips Pensioenfonds ongeveer 136,8% per eind december 2024. De beleidsdekkingsgraad lag met 124,0% ruim onder deze grens. Dat betekent dat inhaalindexatie op dit moment wettelijk niet mogelijk is.

Hoe stellen we vast welke pensioenverhoging verantwoord is?

Om vast te stellen hoeveel pensioenverhoging verantwoord is – gelet op de twee doelstellingen die hiervoor zijn genoemd – staan we stil bij de volgende vragen:
 

  1. Hoe willen we ervoor staan op het moment van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel?
    Om alle deelnemers een goede start te kunnen laten maken in het nieuwe pensioenstelsel, is een gezonde financiële situatie nodig. We hebben vastgesteld welk niveau van de ‘dekkingsgraad’ daarvoor minimaal nodig is op het moment van overgang naar het nieuwe stelsel op 1 januari 2027. We noemen dit de ‘minimaal gewenste invaardekkingsgraad'.
     
  2. Hoeveel indexatie is de komende jaren maximaal mogelijk gelet op de minimaal gewenste invaardekkingsgraad op 1 januari 2027?
    We bepalen hoeveel indexatie we jaarlijks maximaal kunnen toekennen om op 1 januari 2027 op de minimaal gewenste invaardekkingsgraad uit te komen. Hiervoor gebruiken we twee uitgangspunten: 
  • De maximale indexatie die jaarlijks mogelijk is, stellen we ieder jaar op dezelfde manier vast tot aan de overgang naar het nieuwe stelsel: we rekenen uit hoeveel indexatie (gelet op de onder punt 1 bedoelde dekkingsgraad die we minimaal willen hebben op 1 januari 2027) mogelijk is, als we in de resterende periode tot de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel ieder jaar dezelfde indexatie zouden toekennen. 
  • We gebruiken hierbij een vereenvoudigde methode om de hierboven genoemde indexatie te bepalen, waarbij we enkel kijken naar de invloed van toekomstige indexaties op de dekkingsgraad. We laten in deze stap alle andere mogelijke oorzaken van een daling (of stijging) van de dekkingsgraad dus nog buiten beschouwing. Deze andere mogelijke oorzaken worden wel meegenomen bij de volgende stap: stap 3.
     
  1. Moet het maximum zoals bepaald bij de tweede vraag naar boven of naar beneden bijgesteld worden?
    Bij de tweede vraag is berekend hoeveel indexatie in de komende jaren mogelijk is, waarbij dus enkel gekeken is naar de invloed van indexatie op de dekkingsgraad. Alle andere feiten en omstandigheden zijn nog buiten beschouwing gelaten. Dat is wat we bij de beantwoording van vraag drie juist wel doen: moet het maximum zoals bepaald bij de tweede vraag naar boven of naar beneden bijgesteld worden, gelet op andere feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor dit besluit. Denk hierbij onder andere aan: 
  • De financiële gezondheid van het Pensioenfonds en de ontwikkeling daarvan in het achterliggende jaar 
  • Hoeveel indexatie wettelijk mogelijk is 
  • De hoogte van, en het verschil tussen de loon- en prijsinflatie (de indexatie-ambitie van respectievelijk de pensioenopbouwers en de pensioenontvangers/polishouders) 
  • De verschillen in toegekende indexatie tussen deelnemersgroepen in voorgaande jaren 
  • De situatie op de financiële markten 
  • Het aantal jaren totdat voor onze deelnemers het nieuwe pensioenstelsel gaat gelden 
  • Wat andere pensioenfondsen doen op het gebied van indexatie 

Welke verhoging is maximaal verantwoord in 2025?

We zijn tot de conclusie gekomen dat we alle pensioenen per 1 april 2025 met de volledige indexatieambitie kunnen verhogen. De pensioenen van pensioenontvangers en premievrije polishouders worden verhoogd met de volledige prijsinflatie over de periode januari 2024 – januari 2025 (2,7%) en de pensioenen van pensioenopbouwers worden verhoogd met de volledige looninflatie over de periode van 2 april 2024 tot en met 1 april 2025 (6%).  
 
We hebben voor dit besluit de stappen doorlopen zoals hiervoor geschetst:
 

  1. Hoe willen we ervoor staan op het moment van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel?
    We vinden het wenselijk dat de dekkingsgraad op 1 januari 2027 minimaal 114% is. Er is dan een financiële buffer van minimaal 14%. 
     
  2. Hoeveel indexatie is de komende jaren maximaal mogelijk gelet op de minimaal gewenste invaardekkingsgraad op 1 januari 2027?
    Uitgaande van de hierboven (onder ‘Hoe stellen we vast welke pensioenverhoging verantwoord is?’) genoemde vereenvoudigde berekening, zouden de pensioenen van alle deelnemers zowel in 2025 als in 2026 met 3,6% kunnen worden verhoogd.
     
  3. Moet het maximum zoals bepaald bij de tweede vraag naar boven of naar beneden bijgesteld worden?
    Vervolgens hebben we ons gebogen over de vraag welke van de genoemde feiten en omstandigheden dit jaar relevant zijn en die feiten en omstandigheden zorgvuldig afgewogen. De conclusie was uiteindelijk dat we alle pensioenen per 1 april 2025 met de volledige indexatieambitie kunnen verhogen. Hierbij zijn onder andere de volgende punten meegenomen:
     
  • Hoeveel indexatie wettelijk mogelijk is 
    Zoals hierboven toegelicht, kan op basis van de bestaande wettelijke regels enkel gedeeltelijke verhoging worden gegeven in 2025 (namelijk 52% van de ambitie). Dat betekent 1,4% voor pensioenontvangers en premievrije polishouders en 3,1% voor pensioenopbouwers. Hiermee zou de indexatie-achterstand voor alle deelnemersgroepen verder oplopen. Dit jaar kunnen we wederom gebruikmaken van de ruimere indexatieregels uit het transitie-FTK waardoor het mogelijk is volledige indexatie toe te kennen. Door voor alle deelnemersgroepen volledige indexatie te realiseren, loopt de indexatie-achterstand voor geen enkele deelnemersgroep verder op. 
     
  • De hoogte van en het verschil tussen de loon- en prijsinflatie
    Voor de pensioenontvangers en premievrije polishouders geldt als indexatie-ambitie de prijsinflatie tussen januari van het vorige jaar en januari van het lopende jaar. Voor de pensioenopbouwers is dat de looninflatie over de periode van 2 april van het voorgaande jaar tot en met 1 april van het lopende jaar. De prijs- en looninflatie zijn vrijwel nooit aan elkaar gelijk. In dat kader kijken wij steeds terug tot 2011, het eerste jaar dat we geen volledige indexatie konden verlenen. Over die periode is aan de pensioenontvangers en premievrije polishouders meer indexatie toegekend dan aan de pensioenopbouwers. Tot de indexatie per 1 april 2025 was het verschil 2,9% in het voordeel van de pensioenontvangers en premievrije polishouders. In 2025 ligt de looninflatie (6,0%) hoger dan de prijsinflatie (2,7%). Door volledige indexatie toe te kennen (2,7% respectievelijk 6,0%) wordt het indexatieverschil tussen de deelnemersgroepen teruggebracht tot 0,4% in het voordeel van pensioenopbouwers. Hiermee is een belangrijke stap gezet om de verschillen tussen deelnemersgroepen te minimaliseren richting de overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Overigens blijft de indexatieachterstand voor de pensioenopbouwers hoger dan voor de pensioenontvangers en premievrije polishouders (18,7% respectievelijk 16,1%).
     
  • Wat vergelijkbare pensioenfondsen doen op het gebied van indexatie
    Hiervoor hebben we gekeken naar de totale verhoging in de jaren van 2022 tot en met 2025.  Het percentage van de pensioenverhoging (inclusief die van 1 april 2025) van pensioenontvangers en premievrije polishouders ligt in lijn met de pensioenverhogingen bij veel andere pensioenfondsen over deze jaren. Bij pensioenopbouwers ligt dit anders: daar lag de totale pensioenverhoging lager dan bij andere pensioenfondsen. Zelfs bij de volledige indexatie van 6,0% per 1 april 2025 blijft de totale pensioenverhoging over de jaren 2022 tot en met 2025 achter bij die andere pensioenfondsen. Bij gedeeltelijke indexatie zouden de pensioenopbouwers over deze periode nog lager zijn uitgekomen en zou de pensioenverhoging bij Philips Pensioenfonds nog verder zijn achtergebleven bij de verhogingen bij veel andere pensioenfondsen over de betreffende periode.
     
  • Consequentie voor de dekkingsgraad 
    Op basis van de hierboven onder ‘2’ genoemde berekeningen, zou voor iedereen in 2025 een verhoging van 3,6% gegeven kunnen worden. De impact hiervan op de dekkingsgraad is 4,3%. Wettelijk gezien mag echter maximaal de indexatieambitie worden gegeven. Voor pensioenontvangers en premievrije polishouders is de ambitie 2,7% (gebaseerd op de prijsinflatie) en voor pensioenopbouwers is de ambitie 6,0% (gebaseerd op de looninflatie). Door het toekennen van een verhoging in lijn met de ambitie voor beide groepen is het effect op de dekkingsraad 4,1%. Een gedeeltelijke verhoging voor pensioenopbouwers (dus lager dan 6,0%) zou slechts een geringe besparing hebben opgeleverd. Door nu alle deelnemers volledige indexatie te geven, loopt de indexatie-achterstand voor niemand op en kunnen we het verschil in toegekende indexatie tussen deelnemersgroepen terugbrengen. 

Wat betekent dit voor pensioenontvangers en premievrije polishouders?

De ingegane en premievrije pensioenen gaan per 1 april 2025 omhoog met 2,7%
We verhogen de pensioenen van de pensioenontvangers en premievrije polishouders met de volledige prijsinflatie over het afgelopen jaar. We kunnen deze volledige verhoging toekennen, omdat we gebruikmaken van ruimere, wettelijke indexatieregels. Dit is ook de maximale verhoging die wettelijk gezien mag worden gegeven. We verwachten dat we de pensioenen van de pensioenontvangers en premievrije polishouders in 2026 in ieder geval met een deel van de prijsinflatie kunnen verhogen.

Wat betekent dit voor de pensioenopbouwers?

De opgebouwde pensioenen gaan per 1 april 2025 omhoog met 6,0%
We verhogen het opgebouwde pensioen van de pensioenopbouwers met de volledige looninflatie over het afgelopen jaar (zijnde cao-schaalaanpassing(en) bij Philips, ook voor diegenen die werkzaam zijn bij Signify en Versuni). We kunnen deze volledige verhoging toekennen, omdat we gebruikmaken van de ruimere, wettelijke indexatieregels. Dit is ook de maximale verhoging die wettelijk gezien mag worden gegeven. We verwachten dat we de opgebouwde pensioenen van de pensioenopbouwers in 2026 in ieder geval met een deel van de looninflatie kunnen verhogen.

Pensioenopbouw in 2025 is 1,85% 
Hiermee ligt het opbouwpercentage in 2025 op het ambitieniveau. Wij verwachten dat we ook in 2026 de volledige pensioenopbouw van 1,85% kunnen toekennen.

Vragen Overbruggingsplan

In het overbruggingsplan leest u waarom de toepassing van ruimere indexatieregels 'evenwichtig' is en ziet u wat het effect van de ruimere regels is voor verschillende deelnemersgroepen.

Pensioenfondsen kunnen gebruikmaken van ruimere indexatieregels van het zogenoemde transitie-FTK sinds de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Daarvoor moet een pensioenfonds onderbouwen waarom het toepassen van het transitie-FTK in het belang is van de deelnemers en wat dit betekent. Dit doet het pensioenfonds onder andere door te berekenen wat het gebruik van deze ruimere indexatieregels betekent voor de deelnemers en welke gevolgen dit heeft voor de financiële positie van het pensioenfonds. Ook moet het pensioenfonds onderbouwen waarom dit allemaal ‘evenwichtig’ is. Dit wordt vastgelegd in het ‘overbruggingsplan’. Het overbruggingsplan wordt beoordeeld door De Nederlandsche Bank.

Het overbruggingsplan van Philips Pensioenfonds geldt vanaf 1 januari 2024. Philips Pensioenfonds heeft het overbruggingsplan in januari 2024 ingediend bij De Nederlandsche Bank (DNB) en in februari goedkeuring ontvangen voor het plan, waardoor de ruimere indexatieregels toegepast kunnen worden voor het besluit over de indexatie per 1 april 2024 en het besluit per 1 april 2025.

In het overbruggingsplan is uiteengezet waarom het Fonds de mogelijkheid wil hebben om de ruimere indexatieregels te gebruiken, waarom dit verantwoord is gelet op de financiële gezondheid van het Fonds én welke invloed dit heeft op deelnemers in verschillende leeftijdscategorieën en verschillende groepen (pensioenopbouwers, pensioenontvangers en premievrije polishouders).

Het overbruggingsplan van Philips Pensioenfonds toont aan dat de financiële gezondheid op het moment van overgang naar de nieuwe pensioenregeling voldoende blijft, ondanks het gebruik van de ruimere indexatieregels. Daarnaast wordt met het overbruggingsplan bevestigd dat het gebruik van de ruimere indexatieregels niet leidt tot grote verschillen tussen deelnemersgroepen en/of grote verschillen tussen jong en oud. Het overbruggingsplan sluit daarmee aan op de analyses die we reeds in 2021 hebben uitgevoerd en die hebben geleid tot het besluit om het transitie-FTK toe te passen zodra dat wettelijk is toegestaan.

Het overbruggingsplan blijft van kracht tot het moment dat de nieuwe pensioenregeling ingaat in 2027. Philips Pensioenfonds moet het overbruggingsplan wel jaarlijks actualiseren. Als er aanleiding voor is, kan het Fonds het beleid bijstellen.  

De regels om de pensioenen te mogen verhogen, zijn ruimer. Pensioenfondsen mogen de pensioenen door deze verruiming verhogen vanaf een dekkingsgraad van 105% of hoger. Dat betekent dat de financiële reserve niet lager mag worden dan 5% als gevolg van indexeren. Het vermogen daarboven mag gebruikt worden voor pensioenverhogingen, zolang het Pensioenfonds kan aantonen dat het genoeg middelen overhoudt om evenwichtig over te gaan naar de nieuwe pensioenregeling. Belangrijk hierbij is dat het Bestuur van Philips Pensioenfonds, los van de wettelijke bepalingen, jaarlijks beoordeelt hoeveel indexatie verantwoord is. Daarbij wordt jaarlijks een afweging gemaakt tussen het geven van zoveel mogelijk indexatie, en het beschermen van de buffer. Het Bestuur houdt hierbij rekening met een minimaal gewenste invaardekkingsgraad van 114%.

Bij elk besluit kijken we naar de gevolgen voor alle deelnemers(groepen). Door tussentijds de pensioenen te verhogen (indexeren), krijgen pensioenontvangers direct een hoger pensioen. Ook de pensioenen van deelnemers die nog niet met pensioen zijn, gaan omhoog, maar met name deelnemers van 55 jaar en ouder profiteren van de ruimere indexatieregels. 

Het verhogen van de pensioenen kost geld. Daarvoor wordt een deel van de financiële buffer van Philips Pensioenfonds gebruikt.  Het bestuur wil dat elke deelnemer in 2027 een goede start kan maken in de nieuwe pensioenregeling. Daarom kijken we ook naar de effecten van ons besluit tot en met dat moment. Door nu de pensioenen te verhogen, is er minder geld te verdelen op het moment waarop we overgaan naar het nieuwe stelsel. Dat pakt per saldo iets minder gunstig uit voor (jonge) deelnemers die pensioen opbouwen. Zij krijgen immers indexatie over een kleiner opgebouwd pensioen dan oudere deelnemers. Voor hen zou nu iets minder indexatie en daardoor iets meer geld in hun persoonlijke pensioenpot op het moment van overgang net iets beter uitpakken. Anderzijds neemt de kans dat de pensioenen verlaagd moeten worden, ook toe door toepassing van het transitie-FTK. Door meer indexatie toe te kennen dan onder de normale indexatieregels mogelijk zou zijn geweest, daalt de buffer van het Fonds immers ook meer dan bij toepassing van die normale regels het geval zou zijn geweest. Een verlaging van de pensioenen zouden de pensioenontvangers direct in hun portemonnee merken. De kans op verlagingen is bij Philips Pensioenfonds overigens ook bij toepassing van het transitie-FTK erg klein. Dit komt doordat het Fonds er op dit moment financieel goed voor staat. 
 

Door gebruik te maken van de nieuwe tijdelijke regels van de overheid (transitie-FTK) mag Philips Pensioenfonds tot de ingang van de nieuwe pensioenregeling ruimer indexeren. Dat is met name gunstig voor oudere pensioenopbouwers en voor pensioenontvangers. Tegelijkertijd betekent nu meer indexeren dat het Fonds minder financiële middelen overhoudt om later pensioen te kunnen verhogen. Daarnaast zijn met de ruimere regels voor verhogen de regels voor verlagen juist iets strenger geworden als het financieel tegenzit. Omdat jongeren vooral met de lange termijn te maken hebben, is meer indexeren nu - op de lange termijn bezien - voor hen ongunstiger. Overigens is de financiële positie van Philips Pensioenfonds op dit moment goed te noemen. De kans dat Philips Pensioenfonds de pensioenen moet verlagen is daarom ook bij toepassing van de ruimere indexatieregels klein.

Hoe de effecten van meer verhogen en strenger beleid voor verlagen per saldo uitpakken, is onzeker. Philips Pensioenfonds heeft de mogelijke generatie-effecten in kaart gebracht volgens de wettelijk voorgeschreven methode. Daaruit blijkt dat de verschillen tussen het hanteren van de bestaande indexatieregels en de ruimere indexatieregels, uitgedrukt in netto profijt, voor alle deelnemersbeperkt zijn (tussen 1,1% positief en 0,4% negatief). Dit komt omdat de ruimere indexatieregels alleen effect hebben in de komende drie jaren (tot overgang naar de nieuwe pensioenregeling), wat een beperkte periode is. Bovendien zijn de effecten beperkt vanwege de jaarlijkse afweging van het Bestuur welke indexatie (maximaal) verantwoord is, gelet op de doelstelling om de financiële buffer te beschermen (naast de doelstelling om een zo hoog mogelijke indexatie toe te kennen). Het Bestuur heeft daarom geoordeeld dat het gebruik van de ruimere indexatieregels evenwichtig is, ook omdat bij het jaarlijkse indexatiebesluit de verschillen tussen deelnemersgroepen worden meegewogen. Overigens hebben ook het Verantwoordingsorgaan en De Nederlandsche Bank een positief oordeel gegeven over deze conclusie in het overbruggingsplan.

Om de invloed van het gebruik van de ruimere indexatieregels vast te stellen, is voor verschillende deelnemersgroepen berekend wat de waarde van het pensioen is wanneer gebruik wordt gemaakt van de bestaande, wettelijke indexatieregels en wat de waarde is wanneer gebruik wordt gemaakt van de ruimere indexatieregels in het transitie-FTK tot en met 2026 (het beoogde overgangsmoment naar de nieuwe pensioenregeling is 1 januari 2027). Op die manier wordt zichtbaar wat de invloed is van het gebruik van het transitie-FTK op de pensioenen van deelnemers. 

Uitleg: netto profijt, waardering van een pensioenregeling
De waarde van het pensioen wordt uitgedrukt in de term ‘netto profijt’: dit is een wettelijk voorgeschreven methode om een pensioenregeling te waarderen. In de onderstaande plaatjes is het verschil te zien tussen de waarde van het pensioen van verschillende deelnemersgroepen met en zonder gebruik van de ruimere indexatieregels, uitgedrukt in ‘netto profijt’. Alle voor- en nadelen die genoemd worden per deelnemersgroepen, zijn voor- of nadelen uitgedrukt in netto profijt. Het gaat dus niet om verhogingen of verlagingen van de pensioenen.

Een verkorte versie van het overbruggingsplan vindt u hier. In het overbruggingsplan is uiteengezet waarom het Fonds de mogelijkheid wil hebben om de ruimere indexatieregels te gebruiken, waarom dit verantwoord is gelet op de financiële gezondheid van het Fonds en welke invloed dit heeft op deelnemers in verschillende leeftijdscategorieën.

De ruimere indexatieregels zijn gunstig voor pensioenopbouwers die ouder zijn dan 55 jaar. Zij gaan er maximaal 1,1% op vooruit. Dat komt doordat zij op korte termijn profiteren van meer indexatie. Voor jongere pensioenopbouwers is er een beperkt nadeel van maximaal 0,4%. Dat komt doordat deze groep meer baat heeft bij een hogere financiële buffer en meer indexatie in de toekomst als er meer pensioen is opgebouwd.

Voor een grafiek met de effecten per leeftijdscategorie verwijzen we naar het overbruggingsplan dat op onze website staat.

De ruimere indexatieregels zijn gunstig voor alle pensioenontvangers. Zij merken de extra indexatie direct in hun portemonnee. Zij profiteren van zoveel mogelijk indexatie op de korte termijn. Het voordeel is maximaal 1,1%. 

Voor een grafiek met de effecten per leeftijdscategorie verwijzen we naar het overbruggingsplan dat op onze website staat.

Voor premievrije polishouders ligt het moment waarop de ruimere indexatieregels gunstig zijn iets lager dan bij pensioenopbouwers. Vanaf 45 jaar is een voordeel te zien van maximaal 1,1%. Voor jongere polishouders is er nauwelijks een voor- of nadeel.

Voor een grafiek met de effecten per leeftijdscategorie verwijzen we naar het overbruggingsplan dat op onze website staat.

Vragen Indexatiebesluit

Meer weten?

Het is de ambitie van Philips Pensioenfonds om de ingegane en premievrije pensioenen jaarlijks te verhogen met de prijsinflatie, uitgedrukt in de ontwikkeling van de afgeleide consumentenprijsindex. Deze index wordt vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Het is de ambitie van Philips Pensioenfonds om de opgebouwde pensioenen van medewerkers die nog pensioen opbouwen jaarlijks te verhogen met de looninflatie, zijnde de ontwikkeling van de collectieve schaalaanpassing binnen Philips (ook voor diegenen die werkzaam zijn bij Signify en Versuni). 
 

Volgens de bestaande wettelijke regels voor indexatie was in 2025 maximaal een gedeeltelijke verhoging van 52% van de ambitie mogelijk. Dat komt neer op een verhoging van 1,4% voor pensioenontvangers en premievrije polishouders en 3,1% voor pensioenopbouwers. Philips Pensioenfonds heeft echter gebruikgemaakt van de ruimere indexatieregels die beschikbaar zijn door toepassing van het transitie-FTK. Hierdoor kan er eerder en meer indexatie worden gegeven dan volgens de bestaande wettelijke indexatieregels. Op basis hiervan heeft het Bestuur kunnen besluiten om alle pensioenen volledig te verhogen.

Bij de huidige dekkingsgraad van Philips Pensioenfonds is het wettelijk gezien niet toegestaan om inhaalindexatie te geven. De ruimere indexatieregels waar Philips Pensioenfonds gebruik van maakt, hebben hier geen invloed op. Pas als de beleidsdekkingsgraad boven de grens voor toekomstbestendig indexeren ligt, kan inhaalindexatie worden gegeven. Dit mag dan alleen in kleine stapjes. Elk jaar mag het Pensioenfonds een inhaalindexatie geven van eenvijfde deel van het aantal procentpunten dat de beleidsdekkingsgraad boven die wettelijke grens ligt. Deze grens is per 31 december 2024 gelijk aan 136,8%. Een voorbeeld: als de beleidsdekkingsgraad 141,8% is, dan mag in dat jaar een inhaalindexatie van maximaal 1% (= 1/5 x 5%) worden gegeven. Dus als de totale gemiste indexatie 13% bedraagt dan duurt het, als de beleidsdekkingsgraad gedurende die gehele periode 141,8% zou bedragen, 13 jaar voordat de gehele achterstand is ingehaald. Of inhaalindexatie ook echt mogelijk is, hangt dus af van de beleidsdekkingsgraad van het Fonds en de hierboven genoemde wettelijke grens. Deze wettelijke grens varieert in de tijd, met name omdat ook renteontwikkelingen daarop van invloed zijn.

Over de totale periode vanaf 2011 tot heden is geen volledige indexatie toegekend. Het Algemeen Bestuur heeft een ambitie om volledige indexatie toe te kennen ter grootte van de prijsinflatie voor pensioenontvangers en ter grootte van de looninflatie voor pensioenopbouwers. Kijkend naar de afgelopen jaren, is tot en met 2025 ten opzichte van die ambitie een totale indexatie gemist van:
- 16,1% voor pensioenontvangers en premievrije polishouders
- 18,7% voor huidige medewerkers van Philips en Signify die pensioen opbouwen in het flex pensioen (cao en senior directors)
- 20,7% voor huidige medewerkers van Philips en Signify die pensioen opbouwen in het flex pensioen (executives)

Als we spreken over 'verschillen tussen deelnemersgroepen', dan bedoelen we daarmee 'verschillen in de mate waarin we de ambitie voor deze groepen kunnen realiseren'. Voor de pensioenen van onze deelnemers is namelijk een ambitie geformuleerd; dit is een pensioen op basis van volledige pensioenopbouw en volledige indexatie. Deze ambitie geldt voor alle deelnemers. Daarom vinden we het belangrijk dat als er verschillen zijn in de mate waarin we die ambitie kunnen waarmaken, deze verschillen fair en uitlegbaar zijn. 

Elke pensioenverhoging moet betaald worden uit de financiële buffer. En die buffer is er voor alle deelnemers samen. Bij de afweging die het Bestuur jaarlijks maakt over de verhoging van pensioenen, wordt daarom gekeken of het besluit 'evenwichtig' is. Als de verschillen tussen deelnemersgroepen ook na het indexatiebesluit fair en uitlegbaar zijn, zal doorgaans aan de ‘evenwichtigheidstoets’ zijn voldaan. 

In onze indexatieambitie is vastgelegd dat we ernaar streven de pensioenen van de pensioenontvangers en premievrije polishouders te verhogen met de prijsinflatie (de afgeleide consumentenprijsindex zoals gepubliceerd door het CBS). Voor pensioenopbouwers is de ambitie om de opgebouwde pensioenen jaarlijks te verhogen met de looninflatie (de collectieve schaalaanpassing die in de Philips-cao wordt afgesproken, ook voor medewerkers van Signify en Versuni). Deze indexatieambities zijn aan de cao-tafel afgesproken tussen de werkgevers en de vakorganisaties en zijn vastgelegd in het pensioenreglement, dat wij uitvoeren.  

De loon- en prijsinflatie zijn vrijwel nooit aan elkaar gelijk. Meestal is het verschil tussen de loon- en de prijsinflatie minder groot, maar in 2022 was er zelfs sprake van een nog groter verschil. Toen was de indexatie gebaseerd op de prijsinflatie 7,4% en de indexatie gebaseerd op de looninflatie 1,6%. De totale indexatie na toekenning van de indexatie per 1 april 2025 is voor alle deelnemersgroepen over een langere periode bezien vergelijkbaar met elkaar. Voor een goede vergelijking van de in het verleden toegekende indexaties is het daarom belangrijk om het verschil over een langere periode te bekijken. In dat kader kijken wij steeds terug tot 2011, het eerste jaar dat we geen volledige indexatie konden verlenen Tot de indexatie per 1 april 2025 was het verschil in toegekende indexatie 2,9% in het voordeel van de pensioenontvangers en premievrije polishouders. In 2025 ligt de looninflatie (6,0%) hoger dan de prijsinflatie (2,7%). Door volledige indexatie toe te kennen (6,0% respectievelijk 2,7%) wordt het verschil in toegekende tussen de deelnemersgroepen 0,4%, en nu in het voordeel van de pensioenopbouwers.  

Met een volledige verhoging van de pensioenen, in lijn met de ambitie voor elke deelnemersgroep, zetten we een belangrijke stap in het realiseren van onze doelstellingen voor de overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Alle deelnemers krijgen volledige indexatie, waardoor hun indexatie-achterstanden niet oplopen. Bovendien wordt hiermee een einde gemaakt aan de situatie dat aan de pensioenontvangers en premievrije polishouders over een langere periode bezien meer indexatie was toegekend dan aan de pensioenopbouwers, terwijl gelet op de indexatieambitie van beide groepen juist het omgekeerde verwacht zou worden. Zie hiervoor ook de vraag ‘Waarom krijgen pensioenopbouwers zoveel meer verhoging dan pensioenontvangers en premievrije polishouders?’.

Het Bestuur wil de financiële buffer extra beschermen met het oog op de overgang naar het nieuwe stelsel. In het nieuwe pensioenstelsel gaat pensioen namelijk, meer dan nu, meebewegen met de economie. Een financiële buffer geeft de mogelijkheid om deelnemers te laten starten met een hoger pensioen of om een ‘reserve’ in te richten waarmee tegenvallers in de toekomst opgevangen kunnen worden. In alle gevallen komt de buffer uiteindelijk, direct of indirect, ten goede aan de deelnemers en is het dus in belang van die deelnemers dat de buffer bij de overgang zo hoog mogelijk is. 

Concreet kan de buffer worden gebruikt voor onder andere de volgende doelen:

  • Een deel van de buffer gebruiken we om enkele wettelijk voorgeschreven ‘reserves’ te vullen, zoals een operationele reserve die bedoeld is voor onder andere het herstellen van eventuele fouten en voor onverwachte kosten.
  • Een deel wordt gebruikt voor de compensatie voor pensioenopbouwers die nadeel ondervinden van het afschaffen van de doorsneesystematiek die in de huidige pensioenregeling van toepassing is.
  • Een deel wordt gebruikt voor het vullen van de solidariteitsreserve die is bedoeld om pensioenontvangers te beschermen tegen dalingen van het pensioen bij tegenvallende (beleggings)resultaten.
  • Het vermogen dat hierna nog overblijft, wordt volgens een bepaalde verdeelsleutel toegevoegd aan de persoonlijke pensioenvermogens van alle deelnemers.

In de december-editie van ons magazine Generaties hebben wij in algemene zin een indruk gegeven van het te verwachten pensioen in de nieuwe pensioenregeling. Deze verwachting is gebaseerd op een gezonde financiële situatie van het Pensioenfonds op het moment van overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Door de volledige indexatie van de pensioenen in 2025 stijgen de pensioenverplichtingen van het Fonds. Hierdoor daalt de dekkingsgraad met 4,1%. Ondanks deze daling, is de verwachting dat de financiële gezondheid op peil blijft, ook door in de toekomst te verwachten ontwikkelingen. De boodschap van het artikel in Generaties geeft daarom nog steeds een goed beeld van wat u kunt verwachten in de nieuwe pensioenregeling. Omdat de financiele gezondheid van het Fonds op het moment van overgang naar de nieuwe pensioenregeling mede afhankelijk is van toekomstige ontwikkelingen, is er uiteraard een risico dat onze verwachting niet uitkomt.
 

Bij elk besluit kijken we naar de gevolgen voor alle deelnemers(groepen). Door tussentijds de pensioenen te verhogen (indexeren), krijgen pensioenontvangers direct een hoger pensioen. Ook de pensioenen van deelnemers die nog niet met pensioen zijn, gaan omhoog, maar met name deelnemers van 55 jaar en ouder profiteren van de ruimere indexatieregels. 

Het verhogen van de pensioenen kost geld. Daarvoor wordt een deel van de financiële buffer van Philips Pensioenfonds gebruikt.  Het bestuur wil dat elke deelnemer in 2027 een goede start kan maken in de nieuwe pensioenregeling. Daarom kijken we ook naar de effecten van ons besluit tot en met dat moment. Door nu de pensioenen te verhogen, is er minder geld te verdelen op het moment waarop we overgaan naar het nieuwe stelsel. Dat pakt per saldo iets minder gunstig uit voor (jonge) deelnemers die pensioen opbouwen. Zij krijgen immers indexatie over een kleiner opgebouwd pensioen dan oudere deelnemers. Voor hen zou nu iets minder indexatie en daardoor iets meer geld in hun persoonlijke pensioenpot op het moment van overgang net iets beter uitpakken. Anderzijds neemt de kans dat de pensioenen verlaagd moeten worden, ook toe door toepassing van het transitie-FTK. Door meer indexatie toe te kennen dan onder de normale indexatieregels mogelijk zou zijn geweest, daalt de buffer van het Fonds immers ook meer dan bij toepassing van die normale regels het geval zou zijn geweest. Een verlaging van de pensioenen zouden de pensioenontvangers direct in hun portemonnee merken. De kans op verlagingen is bij Philips Pensioenfonds overigens ook bij toepassing van het transitie-FTK erg klein. Dit komt doordat het Fonds er op dit moment financieel goed voor staat. 
 

Philips Pensioenfonds voert een eventuele verhoging van uw pensioen jaarlijks door op 1 april. Philips Pensioenfonds hanteert de datum van 1 april, omdat dat aansluit bij de arbeidsvoorwaardelijke afspraken die binnen de onderneming Philips lopen. Ook de lonen worden bijvoorbeeld per 1 april verhoogd. En de basisgegevens voor pensioenopbouw worden eveneens jaarlijks per 1 april vastgesteld. Het vaste indexatiemoment van 1 april sluit daarop aan.

De verhoging van pensioenontvangers en premievrije polishouders is gebaseerd op het afgeleide prijsindexcijfer van januari tot januari. Dit cijfer is begin maart definitief bekend. Voor pensioenopbouwers is de verhoging gebaseerd op de collectieve schaalaanpassing bij Philips van 2 april van het voorgaande jaar tot en met 1 april van het lopende jaar. Jaarlijks in maart wordt bekendgemaakt met welk percentage de pensioenen per 1 april worden verhoogd. U ontvangt dan van ons een persoonlijke brief met een toelichting op het indexatiebesluit.

Gerelateerde informatie

Is onderstaande informatie voor u misschien ook interessant?

Meer lezen?

In ons magazine Generaties vertelden twee bestuursleden in december 2022 hoe het Bestuur beoordeelt hoeveel indexatie verantwoord is.

Naar Generaties

Nieuwsbericht

Eerder publiceerden wij een nieuwsbericht over de jaarlijkse afweging die het Bestuur maakt over hoeveel indexatie verantwoord is.

Naar nieuwsbericht