Nieuwe regels voor pensioen

De nieuwe pensioenregeling: hoe staat het ervoor?

3 april 2025

Algemeen Bestuur heeft besluiten genomen over de toekomstige pensioenregeling

De nieuwe pensioenregeling: hoe staat het ervoor?



Het besluitvormingsproces over de nieuwe pensioenregeling is onlangs weer een stap verder gebracht. In het eerste kwartaal heeft ons Verantwoordingsorgaan een positief advies uitgebracht over de voorlopige besluiten van het Algemeen Bestuur over de nieuwe pensioenregeling. Het Algemeen Bestuur heeft vervolgens eind maart de besluitvorming kunnen bevestigen, waarbij nog twee ‘voorbehouden’ zijn gemaakt. In dit artikel nemen we u graag mee: waar staan we nu in het proces, welke voorbehouden zijn er nog en wat betekent de besluitvorming voor u als deelnemer?

Stappenplan naar uw nieuwe pensioen

De start van de nieuwe pensioenregeling is gepland op 1 januari 2027. Voordat de regeling definitief voor u gaat gelden, worden de nodige stappen gezet. In dit artikel leest u hoe het hele bestuurlijke proces eruitziet. Ook het plaatje hiernaast geeft u een overzicht van het hele proces.

Waar staan we nu in het proces?

In de december-editie van ons magazine Generaties hebben wij u laten weten dat de sociale partners de afspraken over de nieuwe pensioenregeling hadden vastgelegd in hun transitieplannen. In dit proces heeft ook het hoorrecht met de Federatie van Philips-Verenigingen van Gepensioneerden (FPVG) plaatsgevonden. De FPVG heeft een oordeel gegeven over een pre-conceptversie van het transitieplan. Dit heeft geleid tot enkele concrete aanpassingen in het definitieve transitieplan. Die aanpassingen zijn gunstig voor gepensioneerden, maar tasten naar het oordeel van sociale partners de evenwichtigheid van het totaalplaatje niet aan (zie vraag en antwoord om te lezen welke aanpassingen zijn doorgevoerd). In december zijn de transitieplannen definitief vastgesteld door de achterbannen van de vakorganisaties. Daarmee waren de stappen 1 tot en met 3 afgerond.

Voorlopige bestuursbesluiten
Het Algemeen Bestuur heeft aansluitend voorlopige besluiten genomen over de nieuwe pensioenregeling (stap 4). Daarvoor zijn de transitieplannen van sociale partners beoordeeld, inclusief de genoemde aanpassingen naar aanleiding van het hoorrecht met de FPVG. Het Algemeen Bestuur kwam tot het oordeel dat het in principe bereid is de gemaakte afspraken uit te voeren, kijkend naar de effecten van de gemaakte afspraken voor onze deelnemersgroepen. Oftewel: het Algemeen Bestuur heeft geoordeeld dat de gemaakte afspraken ‘evenwichtig’ zijn. Voordat definitief besloten kan worden of het Fonds de gemaakte afspraken gaat uitvoeren, wordt bekeken of het technisch mogelijk is om de pensioenregeling uit te voeren en wordt gekeken naar de kosten (Zijn deze redelijk?) en de risico’s (Kunnen deze voldoende worden beheerst?). Hierover leest u meer onder ‘Welke voorbehouden zijn er nog?’. 

Advies Verantwoordingsorgaan
Aansluitend is het Verantwoordingsorgaan gevraagd om advies uit de brengen over een aantal onderwerpen (stap 5). In de wet is geregeld dat het Verantwoordingsorgaan onder andere mag adviseren over de beslissing om de opgebouwde pensioenen om te zetten naar de nieuwe pensioenregeling (dit noemen we ‘invaren’) en over de wijze waarop het vermogen van het Pensioenfonds wordt verdeeld over de persoonlijke pensioenvermogens van deelnemers. Begin maart heeft het Verantwoordingsorgaan een positief advies afgegeven. Voor het Verantwoordingsorgaan waren daarbij met name de volgende twee punten van belang, die verder worden toegelicht onder ‘Wat betekent de besluitvorming voor u als deelnemer?’:

  • In de nieuwe pensioenregeling is de kans op verlaging van de reeds ingegane pensioenen van de huidige pensioenontvangers gering.
  • In de nieuwe regeling zullen de pensioenen, op de lange termijn bekeken, naar verwachting met circa 2% per jaar stijgen. 

‘Definitieve’ besluitvorming
Met het positieve advies van het verantwoordingsorgaan in de hand, heeft het Bestuur eind maart de eerdere voorlopige besluiten kunnen bekrachtigen. Daarmee is een hele grote stap gezet richting de nieuwe pensioenregeling. Wat de genomen besluiten voor u als deelnemer betekenen, vertelden we u al eerder in ons magazine Generaties. Maar we kunnen dat nóg iets concreter maken, zie ‘Wat betekent de besluitvorming voor u als deelnemer?’.

Terug naar boven

Welke voorbehouden zijn er nog?

In het voorgaande kopje ziet u dat ‘definitieve’ besluiten genomen zijn, tussen aanhalingstekens dus. Dat is een bewuste weergave, omdat er nog twee voorbehouden gelden:

  • Implementatieplan moet nog worden afgerond: vóór 1 juli ronden wij het zogenoemde implementatieplan af. Het implementatieplan is een document dat moet worden ingediend bij onze toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB). In dat plan moeten wij laten zien dat wij in staat zijn om de nieuwe pensioenregeling te administreren en te implementeren. Daarom moet in het plan aandacht worden besteed aan de kosten en de risico’s en aan de wijze waarop die risico’s worden beheerst. Ook de borging van de datakwaliteit is onderdeel van het plan. Verder beschrijven we in het plan hoe het omzetten van de opgebouwde pensioenen naar de nieuwe pensioenregeling wordt gedaan. Een verplicht onderdeel van het implementatieplan is tot slot een communicatieplan, waarin is opgenomen hoe wij met onze deelnemers gaan communiceren over de overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Dit plan moet worden ingediend bij onze andere toezichthouder de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
  • Goedkeuring toezichthouder DNB: het omzetten van de reeds opgebouwde pensioenen naar de nieuwe pensioenregeling kan pas plaatsvinden nadat de toezichthouder DNB hiervoor goedkeuring heeft verleend. De toezichthouder beoordeelt aan de hand van een grote hoeveelheid in te dienen stukken, waaronder het implementatieplan en het zogenoemde invaarsjabloon, of deze goedkeuring verleend kan worden. Het beoordelen van al deze stukken, dat in de praktijk ‘het beoordelen van het invaarverzoek’ wordt genoemd, is een arbeidsintensief proces. Daarom houden wij er rekening mee dat we pas in 2026 weten of de toezichthouder akkoord gaat. 
Terug naar boven

Wat betekent de besluitvorming voor u als deelnemer?

In ons magazine Generaties vertelden we u in algemene zin al via het artikel ‘Wist-u-dat?’ wat het effect van de nieuwe pensioenregeling is op uw toekomstige pensioen. Dit artikel was gebaseerd op de voorlopige besluitvorming. Nu de besluitvorming weer een stap verder is, maken we dit nog wat concreter door aan te geven hóeveel hoger uw pensioen wordt op 1 januari 2027 als onze dekkingsgraad goed blijft. Bij een dekkingsgraad van 120% op het moment van overgang naar de nieuwe regeling, zijn de onderstaande effecten te verwachten. Uiteraard zijn de voordelen genoemd in de eerste twee punten kleiner als de dekkingsgraad op het moment van overgang lager is dan 120% en groter als deze hoger is  (zie ook vraag en antwoord onderaan deze pagina). Als de dekkingsgraad lager is dan 115%, wordt ook de beschermende werking van de solidariteitsreserve minder. 

  • Direct na overgang is het pensioen voor alle deelnemers hoger dan in de huidige pensioenregeling. Voor de pensioenontvangers gaat het daarbij om een verhoging van 5 tot 8%. 
  • Ook over de gehele uitkeringsperiode bezien is het pensioen voor alle deelnemers naar verwachting hoger dan in de huidige pensioenregeling.
  • De ingegane pensioenen zijn via de zogenoemde solidariteitsreserve in hoge mate beschermd tegen verlagingen. Als het pensioen eerder omhoog is gegaan, is ook dit hogere pensioen in hoge mate beschermd tegen verlagingen. Door de bescherming is de kans op een verlaging van het pensioen in de uitkeringsfase kleiner dan in de huidige pensioenregeling.
  • Het pensioen stijgt, over een langere tijd gemeten, naar verwachting met gemiddeld 2% per jaar. Dit betekent dat het pensioen naar verwachting zijn koopkracht (grotendeels) behoudt.

Dit klinkt heel positief. Zijn er ook risico’s?
Er zijn (uiteraard) ook risico’s. Ontwikkelingen op rente- en aandelenmarkten zijn onvoorspelbaar en beleggingsresultaten kunnen daarom tegenvallen. Ook de inflatie kan hoger zijn dan wij nu verwachten en dat holt op termijn de koopkracht van het pensioen uit. Deze risico’s bestaan ook in de huidige pensioenregeling. In de huidige pensioenregeling zijn deelnemers tegen tegenvallende beleggingsresultaten beschermd door de buffer die het Pensioenfonds moet aanhouden. Hoe zit dat in de nieuwe pensioenregeling? 

Risico’s voor pensioenontvangers
In de nieuwe pensioenregeling zijn de pensioenontvangers bij Philips Pensioenfonds beschermd tegen tegenvallende (beleggings)resultaten door de solidariteitsreserve. Deze reserve wordt bij de start van de nieuwe pensioenregeling gevuld vanuit de buffer van het Pensioenfonds en daarna door een beperkte inhouding op positieve (beleggings)resultaten van de pensioenontvangers en de andere deelnemers vanaf de leeftijd van 55 jaar. Uit de solidariteitsreserve kunnen pensioenontvangers een aanvulling op hun pensioen krijgen als dat pensioen (zonder reserve) verlaagd zou moeten worden. Voorwaarde hiervoor is dat er voldoende vermogen in de solidariteitsreserve zit.

Risico’s voor pensioenopbouwers en premievrije polishouders
De pensioenopbouwers en premievrije polishouders zijn voorafgaand aan pensionering niet beschermd door de solidariteitsreserve. In de nieuwe pensioenregeling is er geen financiële buffer meer. Daardoor hebben negatieve beleggingsresultaten ook direct een negatieve invloed op het persoonlijk pensioenvermogen en op het verwachte pensioen. Daar staat als voordeel tegenover, dat positieve beleggingsresultaten ook direct zorgen voor een stijging van het verwachte pensioen. Dit terwijl in het huidige stelsel bij positieve beleggingsresultaten in beginsel alleen de buffer en daarmee de dekkingsgraad toeneemt. Het (verwachte) pensioen neemt onder de huidige regels alleen toe wanneer de pensioenen verhoogd kunnen worden door (inhaal)indexatie. 

Terug naar boven

Wanneer krijgt u meer informatie?

In het derde kwartaal van 2025 brengen wij een extra editie uit van ons magazine Generaties. Deze editie staat geheel in het teken van de nieuwe pensioenregeling en gaat ook inhoudelijk in op de besluiten die het Bestuur heeft genomen. Wilt u al eerder en/of gedetailleerde informatie? Vanaf 1 juli 2025 vindt u het volledige implementatieplan en een samenvatting van het communicatieplan terug op onze website. 

Vragen en antwoorden

Over de genomen besluiten 
van het Algemeen Bestuur

  • Een iets risicovoller beleggingsbeleid 
    Hierdoor is het de verwachting dat de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de pensioenen in de nieuwe regeling wat hoger is. 
  • Het terugbrengen van de spreidingsperiode van vijf naar drie jaar
    In de nieuwe pensioenregeling spreiden we beleggingsresultaten in de tijd. Zo ziet u een positief of negatief beleggingsresultaat niet direct terug in uw pensioen, maar gespreid over meerdere jaren. Dit zorgt voor een stabieler pensioen. Door een kortere spreidingsperiode hebben positieve rendementen eerder een positief effect op de uitkeringen. Tegelijk is de kans op een daling van de pensioenen zeer klein. Dit komt door de gezamenlijke ‘solidariteitsreserve’. Deze wordt gebruikt om uw pensioen te beschermen tegen tegenvallende (beleggings)resultaten.  
  • Een technische aanpassing in de berekeningsmethodiek 
    In het transitieplan is de berekeningswijze beschreven voor het vullen van de persoonlijke pensioenpotten van deelnemers op het moment van overgang. Hierin is een technische aanpassing gedaan, waardoor er bij de overgang in totaal ruim € 86 miljoen meer in de persoonlijke pensioenpotten van de pensioenontvangers wordt gestort dan bij de eerdere methodiek. 

Hiervoor hebben we aangegeven wat het verwachte effect van de afspraken is op uw toekomstige pensioen als dekkingsgraad op het moment van overgang 120% is.

Beleid gericht op beschermen financiële buffer
Het is goed om te weten dat het beleid van het Fonds erop gericht is om daling van de dekkingsgraad als gevolg van slechte beleggingsrendementen zoveel mogelijk te voorkomen. Dat doen we door tot de overgang meer te beleggen in vastrentende waarden en door het renterisico grotendeels af te dekken. De dekkingsgraad daalt ook als gevolg van indexatie. Het toekennen van indexatie is echter een besluit van het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur bepaalt ieder jaar of het toekennen van indexatie verantwoord is, mede gelet op de gevolgen voor de dekkingsgraad van het Fonds.

Verdelen buffer bij overgang naar nieuwe pensioenregeling
De hoogte van de dekkingsgraad heeft direct invloed op de hoogte van uw pensioen na overgang. In de nieuwe pensioenregeling hoeft het Fonds geen financiële buffer meer aan te houden. Er is wel de reeds genoemde solidariteitsreserve om tegenvallers in de uitkeringsfase op te vangen en een beperkt bedrag voor onvoorziene uitgaven. Hiervoor wordt een deel van de financiële buffer gebruikt op het moment van overgang. Maar een deel van die buffer komt ook direct in de persoonlijke pensioenvermogens van deelnemers terecht. Dat is ook de reden waarom uw pensioen direct na overgang hoger is dan in de huidige pensioenregeling. Voorwaarde bij dit alles is uiteraard dat de dekkingsgraad niet noemenswaardig meer daalt tot het moment van overgang. Voor het ‘verdelen’ van de buffer is in het transitieplan een methode uitgewerkt die erop is gericht om alle deelnemers een goede en evenwichtige start te laten maken in de nieuwe pensioenregeling. 

In het bovenstaande nieuwsbericht kunt u lezen wat het verwachte effect van de afspraken is op uw toekomstige pensioen als de dekkingsgraad op het moment van overgang 120% is. Als de dekkingsgraad voor de datum van overgang noemenswaardig zou dalen, heeft dit de hieronder aangegeven gevolgen. 

  • Bij een dekkingsgraad onder de huidige dekkingsgraad maar boven de 115%, zijn er voldoende middelen voor de compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek (klik hier voor vragen en antwoorden over dit onderwerp) en voor het vullen van de solidariteitsreserve tot het bij aanvang gewenste niveau. Vanwege dit laatste wordt de beschermende werking van de solidariteitsreserve in dat geval niet aangetast. Er komt wel wat minder geld in de persoonlijke pensioenvermogens van de individuele deelnemers. Dit heeft invloed op positieve effecten die zijn genoemd. 
  • Als de dekkingsgraad lager is dan 115% en de solidariteitsreserve niet gevuld kan worden tot het bij aanvang gewenste niveau, heeft dat wel een negatieve invloed op de mate van bescherming die de solidariteitsreserve kan bieden. Hoe lager het niveau bij de start van de nieuwe pensioenregeling, hoe minder bescherming en hoe groter de kans op een daling van het pensioen. En uiteraard zijn ook de positieve effecten die zijn genoemd bij een dekkingsgraad onder de 115% minder groot. 
  • Als de dekkingsgraad bij invaren onverhoopt lager zou zijn dan 102%, dan zal het Fonds met sociale partners in overleg treden over de vraag of er in dat geval nog op een evenwichtige wijze kan worden ingevaren (dit is het omzetten van de huidige opgebouwde pensioenen naar de nieuwe pensioenregeling). Als besloten wordt om toch in te varen, dan zal de compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek niet uit het fondsvermogen worden betaald, maar uit de pensioenpremie.

Het is goed om te weten dat het beleid van het Fonds erop gericht is om daling van de dekkingsgraad als gevolg van slechte beleggingsrendementen zoveel mogelijk te voorkomen. Dat doen we door tot de overgang meer te beleggen in vastrentende waarden en door het renterisico grotendeels af te dekken. De dekkingsgraad daalt ook als gevolg van indexatie. Het toekennen van indexatie is echter een besluit van het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur bepaalt ieder jaar of het toekennen van indexatie verantwoord is, mede gelet op de gevolgen voor de dekkingsgraad van het Fonds.

De ‘verdeelsleutel ’ of de ‘invaarmethode’ geeft aan op welke wijze de financiële buffer van het Fonds wordt verdeeld over de persoonlijke pensioenvermogens van de deelnemers. 

In het huidige stelsel heeft Philips Pensioenfonds een reële ambitie. Dat betekent dat het Fonds streeft naar volledige pensioenopbouw en volledige indexatie voor alle deelnemers. Deze reële ambitie is ook het startpunt geweest van het denken over de inrichting van de pensioenregeling in het nieuwe stelsel en over de transitie naar die nieuwe pensioenregeling.
Ook bij het denken over de meest evenwichtige wijze om dit laatste te doen, is het startpunt de reële ambitie van het Fonds. Tegen de achtergrond van deze ambitie is het passend en fair om bij het verdelen van de in het huidige stelsel opgebouwde buffer zowel rekening te houden met in het verleden opgelopen indexatieachterstanden als met toekomstige indexatie. Geen rekening houden met indexatieachterstanden uit het verleden zou met name in het nadeel zijn van ouderen. Geen rekening houden met toekomstige indexatie zou met name nadelig zijn voor jongeren. 

In het transitieplan is als verdeelsleutel gekozen voor de zogenoemde 50/50-variant. Dat betekent dat indexatieachterstanden even zwaar wegen als toekomstige indexaties. Voor alle duidelijkheid: 50/50 houdt niet in dat er evenveel vermogen gaat naar indexatieachterstanden als naar toekomstige indexatie. Wat betekent het dan wel? In de persoonlijke pensioenvermogens van de deelnemers wordt een bedrag gestort waarmee een bepaald (voor iedereen gelijk) percentage van de indexatie-ambitie voor de toekomst kan worden gefinancierd, en een bedrag waarmee hetzelfde percentage van de (uniform vastgestelde) indexatieachterstand kan worden gefinancierd.

Het financieren van indexatieachterstanden kost relatief meer geld voor oudere deelnemers, omdat zij meer pensioen hebben opgebouwd dan jongere deelnemers. Daar staat tegenover dat voor jongere deelnemers relatief meer geld nodig is voor het realiseren van toekomstige indexatie dan voor oudere deelnemers. Er moet voor jongere deelnemers immers over een langere periode toekomstige indexatie worden gefinancierd.  

Met de in het transitieplan beschreven verdeelsleutel krijgt niet iedereen letterlijk de gemiste indexatie. In plaats daarvan is besloten om iedereen een uniforme verhoging te geven die gezien zou kunnen worden als compensatie voor in het verleden gemiste indexaties. 

Er wordt daarvoor uitgegaan van een uniforme indexatie-achterstand. De uniforme indexatieachterstand is gebaseerd op de maximale indexatieachterstand van de pensioenontvangers, zoals gepubliceerd in het jaarverslag van het Fonds over 2023. Dat komt neer op een gemiste indexatie van 16,1%. De belangrijkste reden om te kiezen voor een uniforme indexatieachterstand is de eenvoud en uitlegbaarheid van deze aanpak. 

In de praktijk hebben deelnemers vaak een minder grote indexatieachterstand dan de achterstand die is vermeld in het jaarverslag van het Fonds. De indexatieachterstand van een individuele deelnemer is immers afhankelijk van zijn/haar datum van indiensttreding, van de tijdens zijn/haar dienstverband toegekende indexatie en pensioenopbouw en van zijn/ haar salarisontwikkeling. De werkelijke indexatieachterstand per deelnemer varieert daarom sterk en zou op individueel niveau uitgerekend en uitgelegd moeten worden. Dat zou het zeer complex maken. Het doel is niet om iedereen exact een bepaald % van zijn/haar achterstand te geven, maar een totaalbedrag dat recht doet aan zowel het feit dat er geld nodig is om de koopkracht van opgebouwde rechten naar de toekomst toe te behouden als aan het feit dat er een indexatieachterstand is.