In twee rekenvoorbeelden laten wij u zien hoe de loonheffingskorting wordt berekend en op welk inkomen u deze het beste kunt toepassen.
Wij benadrukken dat onderstaande rekenvoorbeelden niet uitputtend zijn en niet alle situaties dekken. Wilt u voorkomen dat u een naheffing krijgt op uw inkomstenbelasting? Vraag dan een voorlopige aanslag inkomstenbelasting aan bij de Belastingdienst. U leest hier meer over op de website van de Belastingdienst.
Ga naar de website van de BelastingdienstRekenvoorbeeld 1
Deelnemer is ouder dan de AOW-leeftijd en gehuwd.
- AOW-pensioen: € 12.000 per jaar
- Pensioen Philips Pensioenfonds: € 40.000 per jaar
- Totaal inkomen: € 52.000 per jaar
Bij een totaal inkomen van € 52.000 bedraagt het deel boven de afbouwgrens € 23.594 (€ 52.000 - € 28.406). De afbouw bedraagt 3,170% van € 23.594, wat neerkomt op € 748. De resterende heffingskorting bedraagt dus € 1.536 - € 748 = € 788. Deze korting wordt verrekend met de belasting die u verschuldigd bent.
U kunt de loonheffingskorting het beste toepassen op het pensioen dat u ontvangt van Philips Pensioenfonds. Dit is uw grootste bron van inkomsten.
Rekenvoorbeeld 2
Deelnemer is jonger dan de AOW-leeftijd en heeft een hoog pensioen uit meerdere inkomstenbronnen.
- Pensioen Pensioenfonds x: € 22.000 per jaar
- Pensioen Philips Pensioenfonds: € 70.000 per jaar
- Totaal inkomen: € 92.000 per jaar
Bij een inkomen van € 92.000 is het deel boven de afbouwgrens zo groot dat de algemene heffingskorting volledig is afgebouwd. Het is verstandig om de loonheffingskorting niet op uw inkomen toe te passen. U heeft dan namelijk geen recht op heffingskorting.