Financieel toetsingskader

Financieel toetsingskader  

Voor de financiering van pensioenen gelden in Nederland strikte wettelijke regels. Deze financiële ‘spelregels’ zijn vastgelegd in het zogenoemde Financieel Toetsingskader (FTK).
De financiële spelregels zijn per 1 januari 2015 gewijzigd. De gewijzigde regels moeten ervoor zorgen dat de pensioenen in Nederland ook op lange termijn financieel houdbaar zijn. Pensioenfondsen zorgen immers niet alleen nú voor de inkomensvoorziening van velen, maar moeten dat ook in de toekomst kunnen doen. Wat betekenen de gewijzigde spelregels voor de deelnemer van Philips Pensioenfonds?

1. Meer veiligheid door hogere buffers

Pensioenfondsen zijn wettelijk verplicht om over financiële buffers te beschikken. Ofwel: ze moeten meer vermogen hebben dan nodig is voor het uitbetalen van de pensioenen nu en in de toekomst. Deze buffers zorgen voor meer financiële zekerheid. Als het een keer tegenzit, dan kunnen immers de buffers worden gebruikt. En dus is het minder snel nodig om andere maatregelen te nemen, zoals het verlagen van de pensioenen. Meer buffers aanhouden, betekent tegelijkertijd ook dat een pensioenfonds minder snel kan indexeren als het meezit.

Financiële positie Philips Pensioenfonds per 1 januari 2015
Vanwege de nieuwe financiële ‘spelregels’ die gelden per 1 januari 2015, zijn zowel de dekkingsgraad als de vereiste dekkingsgraad van het Fonds opnieuw berekend. Hieronder is toegelicht wat de invloed van het FTK per 1 januari 2015 is op zowel de dekkingsgraad als de vereiste dekkingsgraad van het Fonds:Lees meer

- Het FTK bepaalt dat de dekkingsgraad op een andere manier wordt vastgesteld, waardoor deze minder afhankelijk wordt van dagkoersen. Vanaf 1 januari 2015 wordt de dekkingsgraad berekend door het gemiddelde te nemen van de dekkingsgraden over de afgelopen 12 maanden. Men spreekt in dit verband van de beleidsdekkingsgraad.
- De vereiste dekkingsgraad van het Fonds stijgt per 1 januari 2015 vanwege de nieuwe financiële ‘spelregels’. Het FTK schrijft namelijk voor dat pensioenfondsen vanaf 1 januari 2015 over hogere financiële buffers moeten beschikken. Ofwel: ze moeten meer vermogen hebben dan voorheen om te garanderen dat ze de pensioenen kunnen betalen. Ook de invoering van het nieuwe beleggingsbeleid van het Fonds draagt bij aan de stijging van de vereiste dekkingsgraad per 1 januari 2015.
1 januari 2015 31 december 2014
Dekkingsgraad n.v.t. 114%
Beleidsdekkingsgraad 114% n.v.t.
Vereiste dekkingsgraad 116% 110%

Herstelplan
Per 1 januari 2015 lag de vereiste dekkingsgraad hoger dan de beleidsdekkingsgraad. Dit betekent dat het Fonds sinds 1 januari 2015 in een tekortsituatie zit en een herstelplan op moet stellen. In dat herstelplan wordt beschreven hoe het Fonds ervoor gaat zorgen dat de beleidsdekkingsgraad van het Fonds binnen de hersteltermijn weer op het niveau van de vereiste dekkingsgraad komt.

Sluit uitklap

2. Meer helderheid over het beleid

De nieuwe spelregels vereisen dat pensioenfondsen volstrekt duidelijk zijn over hun beleid. Ze moeten vooraf duidelijk maken welke maatregelen worden genomen bij een bepaalde hoogte van de dekkingsgraad. Dat kan gaan om maatregelen bij financiële tegenvallers, zoals een lagere indexatie of een verlaging van pensioen. Maar ook om maatregelen in goede tijden: wanneer krijgt de deelnemer indexatie of zelfs inhaalindexatie?

3. Minder indexatie door strengere regels

Tegenover de extra veiligheid van ruime buffers, staat dat een pensioenfonds minder snel kan indexeren. Dat gaat de deelnemer waarschijnlijk merken, met name op de korte termijn. De kans op (volledige) indexatie neemt af door de nieuwe spelregels. Pensioenfondsen mogen namelijk alleen een bepaalde indexatie toekennen, als deze indexatie ook in de verre toekomst kan worden toegekend. Het FTK noemt dit ‘toekomstbestendig indexeren’.

Verschil pensioenopbouwer en pensioenontvanger
De strengere indexatieregels raken álle deelnemers van Philips Pensioenfonds. Het is de ambitie van Philips Pensioenfonds om alle pensioenen jaarlijks te verhogen met de prijsinflatie. Lees meer

Voor de pensioenopbouwers is een deel van de indexatie anders geregeld. Het gaat dan om het verschil tussen de looninflatie en de prijsinflatie. In het kader van de cao is afgesproken dat hier een aparte ‘pot’ voor is gevormd, de zogenoemde premiereserve. In 2014 heeft Philips hier € 100 miljoen in gestort.Hierin stort Philips Pensioenfonds jaarlijks een deel van de pensioenpremie, als er premie overblijft nadat de geambieerde pensioenopbouw van 1,85% is ‘ingekocht’. Dat betekent dat het kán voorkomen dat voor de pensioenopbouwers een indexatie wordt toegekend, die wordt gefinancierd uit de premiereserve, terwijl er geen indexatie plaatsvindt op basis van de prijsinflatie. Gevolg van dit alles is dat de pensioenopbouwers in het betreffende jaar een gedeeltelijke indexatie zou kunnen ontvangen, terwijl er voor de pensioenontvangers niet geïndexeerd wordt.

Sluit uitklap

4. Mogelijke pensioenverlagingen worden uitgesmeerd over een langere periode

Als het financieel tegenzit, moeten pensioenfondsen maatregelen nemen die direct invloed kunnen hebben op het pensioeninkomen van de deelnemer. De afgelopen jaren zagen veel gepensioneerden hun pensioen verlaagd worden vanwege een tekort bij hun pensioenfonds. Soms ging dat om forse verlagingen, tot wel 7%. Philips Pensioenfonds heeft de pensioenen gelukkig niet hoeven te verlagen. Met de nieuwe spelregels moeten pensioenfondsen nog steeds maatregelen nemen als er een tekort dreigt. Deze maatregelen hoeven zij echter niet in één keer door te voeren. Zij mogen een pensioenverlaging spreiden over een langere periode van maximaal 10 jaar. Zo zou in het hiervoor genoemde voorbeeld, het pensioen niet ineens met 7% worden verlaagd, maar gedurende tien jaar met 0,7% per jaar, of gedurende zeven jaar met 1% per jaar.

5. Kans op volledige pensioenopbouw neemt af

Pensioenopbouwers bouwen jaarlijks een deel van hun pensioen op. De werkgever betaalt hiervoor een vast premiepercentage van 24% van de salarissen voor cao-medewerkers. Pensioenopbouwers betalen aan de werkgever een deel daarvan. Het streven is om hiermee jaarlijks een pensioenopbouw van 1,85% van de pensioengrondslag te realiseren. In 2014, dus vóór de invoering van de nieuwe spelregels, is berekend dat het Fonds dat streven waarschijnlijk waar kon maken: het vaste premiepercentage was voldoende. De invoering van het nieuwe FTK, maar vooral de huidige lage rente, heeft tot gevolg dat het opbouwen van pensioen duurder wordt. Dat betekent dat de premie van 24% in 2015 niet voldoende is om de pensioenopbouw van 1,85% te realiseren. Voor de financiering van de pensioenopbouw van 1,85% is daarom in 2015 € 23 miljoen onttrokken uit de premiereserve. Het Algemeen Bestuur heeft vastgesteld dat de overgebleven premiereserve aankomende jaren nodig zou kunnen zijn om de pensioenopbouw veilig te stellen.

Wat mag de deelnemer verwachten van de pensioenopbouw?
Als de rente zo laag blijft als deze eind december 2014 was, is - rekening houdend met de nieuwe financiële ‘spelregels’ die gelden vanaf 1 januari 2015 - jaarlijks een bedrag van enkele tientallen miljoenen euro’s uit de premiereserve nodig om de pensioenopbouw van deelnemers te kunnen betalen. Hoe lager de rente, hoe groter de kans dat de premie onvoldoende is voor de inkoop van de opbouw van 1,85%. In zo’n situatie kan de premiereserve ook niet aangewend worden om de indexatie voor de pensioenopbouwers, te weten het verschil tussen de loon- en prijsinflatie, te financieren. Er bestaat dus ook een kans dat het niet zal lukken om dit deel van de indexatie te realiseren.

Situatie in 2014
De pensioenpremie van 24% van de salarissen die is overeengekomen in de cao die geldt vanaf 2014, was in 2014 voldoende om voor alle Philips-medewerkers een pensioenopbouw van 1,85% te realiseren. Lees meer

Een deel van de premie bleef over en werd toegevoegd aan de premiereserve. Gelijktijdig is vanuit de premiereserve een deel betaald voor de indexatie. De premiereserve kan gebruikt worden als de premie een keer niet voldoende is om 1,85% pensioen in te kopen of om de Philips-medewerkers een extra verhoging van de pensioenen (indexatie) te geven. De premiereserve is bij aanvang van de nieuwe regeling gevuld met 100 miljoen euro. In 2014 is daaraan nog een bedrag toegevoegd. Het totaal bedrag van de premiereserve eind 2014 was 108 miljoen euro.

Sluit uitklap

Situatie in 2015
De invoering van het nieuwe FTK, in combinatie met de lage rente, had het gevolg dat het opbouwen van pensioen duurder wordt. Lees meer

Daarom is het vaste premiepercentage van 24% in 2015 onvoldoende. Dat betekent dat de premiereserve ingezet moet worden, om toch een pensioenopbouw van 1,85% te kunnen realiseren voor alle Philips-medewerkers. Uit de premiereserve was daarvoor een bedrag nodig van 23 miljoen euro.
De premiereserve is ook bedoeld voor het financieren van een deel van de indexatie voor de pensioenopbouwers, te weten het verschil tussen de loon- en de prijsinflatie. Deze verhoging is alleen toegestaan als de pensioenopbouw van 1,85% voor de resterende periode tot 2019 naar redelijke verwachting voldoende zeker is gesteld. De achtergrond hiervan is dat de premiereserve in de eerste plaats bedoeld is om de pensioenopbouw te financieren, en pas in de tweede plaats om daaruit indexatie te betalen.Indien jaarlijks enkele tientallen miljoenen euro’s uit de premiereserve nodig zijn om de opbouw te kunnen realiseren, blijft naar verwachting onvoldoende over om ook het verschil tussen prijs- en looninflatie (volledig) te kunnen betalen.

Sluit uitklap

Gecontroleerd op: 19-04-2018